04 december 2017

Decentralisatie leidt nog niet tot betere zorg

Tussen 2015 en 2016 is de kwaliteit van leven van mensen met een maatwerkvoorziening in het sociaal domein gelijk gebleven. Er was tussen 2015 en 2016 een afname in de hulp die mensen in de Wmo 2015 krijgen van een beroepskracht; deze afname is niet opgevangen in het eigen netwerk. Er is nog geen sluitende aanpak voor de overgang van 18 min naar 18 plus. De zorgcontinuïteit komt daarmee in de knel. Regelingen sluiten nog niet goed op elkaar aan en er is een gebrek aan specifieke woonvoorzieningen (o.a. begeleid wonen). Dit zijn enkele van de conclusies uit de publicatie Overall rapportage sociaal domein 2016. Burgers (de)centraal van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over de ontwikkelingen in het gedecentraliseerde sociaal domein.

In 2015 maakten 1,6 miljoen mensen uit 1,4 miljoen huishoudens gebruik van een individuele voorziening, die sinds 2015 onder het sociaal domein valt. Dit betreft 10% van de bevolking en 18% van de huishoudens. Van de huishoudens die gebruik maken van een individuele voorziening gebruikt ongeveer 50% een participatievoorziening, 40% maatschappelijke ondersteuning en 21% jeugdzorg. Daarnaast zijn er nog circa 450.000 mensen die alleen gebruikmaken van vervoersdiensten (zoals buurtbus en regiotaxi). De meeste huishoudens gebruiken individuele voorzieningen uit slechts één sector; 11% van de 1,4 miljoen gebruikende huishoudens combineert voorzieningen uit verschillende sectoren. Dit gaat dan meestal om een combinatie van participatievoorzieningen en maatschappelijke ondersteuning (6,5%), of participatie en jeugdzorg (2,7%).

Eenzaamheid Wmo-ers licht gestegen
De kwaliteit van leven van gebruikers van maatwerkvoorzieningen bleef tussen 2015 en 2016 gelijk. Er is ook een stabiel beeld bij de mate van kwetsbaarheid, probleemcumulatie, redzaamheid en maatschappelijke participatie. Wel is de emotionele eenzaamheid onder mensen in de Wmo 2015 licht gestegen. Uit het rapport blijkt dat de kwaliteit van leven van mensen vooral samenhangt met de mate van kwetsbaarheid (opeenstapeling van een laag inkomen, lage opleiding, geen werk en gezondheidsbeperkingen), de mate waarin problemen tegelijk voorkomen en de mate van redzaamheid, en minder met de voorzieningen die ze gebruiken.

Hulp van een beroepskracht tussen 2015 en 2016 licht gedaald bij Wmo-ers
Er is tussen 2015 en 2016 een afname in de hulp die mensen in de Wmo 2015 krijgen van een beroepskracht. Deze hulp wordt evenmin gegeven door iemand uit het eigen netwerk. Onduidelijk is of en hoe mensen dit opgelost hebben. Er zijn ook grenzen aan de inzet van het eigen netwerk. Soms is het eigen netwerk te beperkt, op afstand of al overbelast of zijn burgers niet in staat het netwerk in te schakelen vanwege ziekte of stress. De in 2016 onderzochte gemeenten streven ernaar meer taken vaker te laten doen door vrijwilligers. De inzet van vrijwilligers vergt zorgvuldige werving, training en begeleiding door professionals.

Jongeren zonder startkwalificatie gebruiken vaker een sociaaldomeinvoorziening
Jongeren die in 2012 geen startkwalificatie hadden, gebruiken in 2015 vaker een sociaaldomeinvoorziening dan andere jongeren (vaak een Participatiewetvoorziening); komen vaker in aanraking met de politie en hebben vaker te maken met schulden. Ook jongeren die in de periode 2012-2014 jeugdzorg ontvingen hebben vaker met deze zaken te maken dan andere jongeren. Gemeenten hebben een beperkte maar groeiende invloed op de toegang tot de jeugdhulp. In 2016 kwam ongeveer een kwart van de jeugdhulp via de gemeentelijke toegang tot stand, ongeveer de helft via de (huis)arts en het overige kwart op andere wijze, waaronder via de kinderrechter. De betrokkenheid van de gemeente bij de instroom in de jeugdhulp is verdubbeld van 14% in de eerste helft van 2015 naar ruim 28% in de tweede helft van 2016.

Overgang van 18-min naar 18-plus verdient aandacht
Er is in de onderzochte gemeenten nog veel nodig om zorgcontinuïteit te garanderen voor jongeren, die de overgang naar volwassenheid gaan maken (van 18- naar 18+ gaan). Dat geldt vooral voor jongeren met lichte verstandelijke beperkingen. Er zijn in de onderzochte gemeenten ook te weinig adequate woonvoorzieningen, vooral met begeleiding.

Verschillen per gemeente
Samenwerking tussen gemeenten kan bijdragen aan het behalen van doelstellingen, maar loopt soms nog stroef. De meest behaalde doelen van samenwerking zijn volgens de ondervraagde griffiers schaalvoordelen, borging van continuïteit van zorg en ondersteuning en toename van kennis. Oorzaken voor een stroef lopende samenwerking zijn verschillen tussen gemeenten in de visie op de inrichting en uitvoering van het sociaal domein en het transformatietempo. De financiële jaarrekeningen van gemeenten laten in 2016 een positief saldo zien voor het sociaal domein, maar dat is wel lager dan in 2015. De stijging van de gemeentelijke uitgaven is in 2016 iets hoger dan de stijging van de middelen die volgt uit het verdeelmodel voor het gemeentefonds. De verschillen tussen gemeenten zijn echter groot. De positieve saldi van 2016 worden grotendeels gereserveerd voor het sociaal domein. Gemeenten zeggen deze reserves nodig te hebben om de verwachte oplopende financiële druk het hoofd te bieden, om overlopende lasten naar volgende jaren te dekken en om de transformatie verder vorm te geven.

Bron: SCP

Reactie Helpende Handen
De signalen die het SCP in dit rapport signaleert, worden door Helpende Handen herkent. Zeker als het gaat om de begeleiding van ouders en jongeren bij het 'volwassen worden'; de overgang van 18 min naar 18 plus en het gebrek aan specifieke woonvoorzieningen onderschrijft Helpende Handen de conclusies van het SCP. Helpende Handen roept daarom de politiek op aandacht te blijven houden voor deze kwetsbare doelgroep.