Najaarsbijeenkomsten 2010

In november 2010 hield Jacqueline Heskes, ADHD-coach bij het ADHD-centrum in Zuid-Holland, een aantal lezingen voor de contactgroep gedragsproblemen. Op drie goed bezochte avonden vertelde ze over AD(H)D.

Hoewel ADHD momenteel 'in de mode' is, wees Heskes erop dat de stoornis al zo'n 30 tot 40 jaar bekend is. Pas de laatste jaren wordt er echter onderzoek naar gedaan, wat veel publiciteit oplevert. ADHD (attention deficit hyperactivity disorder) is een stoornis waarbij men heel veel moeite heeft om de aandacht ergens op te richten, zich te concentreren. Dat leidt tot impulsiviteit, vergeetachtigheid, slordigheid en hyperactiviteit. De variant ADD heeft niet de hyperactiviteit, maar net zo goed de chaos in de hersenen. Omdat ADD veel minder opvalt, maar net zo lastig is voor het kind zelf, is het goed het op school wel te vertellen; het probleem wordt herkend en erkend, en er kan hulp geboden worden.

Bij AD(H)D werkt het filter voor de binnenkomende prikkels (ca. een miljoen per seconde, terwijl een mens er plm. 5-9 per keer kan verwerken) niet goed. Vergelijk het met een feestje waar je zelf met iemand in gesprek bent maar ook nog drie, vier andere gesprekken om je heen probeert te volgen. Van kinderen heeft ongeveer een derde ADHD, jongens meer dan meisjes (4:1, jongens vooral ADHD en meisjes meer ADD), terwijl het onder 1 % van de volwassenen voorkomt. Dit betekent niet dat ADHD overgaat, maar wel dat er in of na de puberteit een omslag kan plaatsvinden naar minder last ervan hebben of ermee weten om te gaan.

Het omgaan met externe prikkels wordt intern omgezet in gevoelens en emoties. Als alles mislukt, krijg je ook negatieve gedachten over je toekomst. Je kunt boos worden, onmacht voelen, verdrietig zijn: ik word nooit begrepen. Heskes had een heel aardig voorbeeld in haar presentatie: je zag drie rijtjes woorden, namen van kleuren. De namen waren echter te zien in een andere kleur dan er stond. Het woord 'geel' was bijv. in zwart te zien, terwijl 'blauw' in groen was te lezen. Om de beurt moesten een paar mensen een rij kleuren benoemen. Dus niet de woorden. Je merkte dat het steeds een paar seconden duurde voor de volgende kleur genoemd werd. De rechter hersenhelft probeert de kleur te herkennen, de linkerhelft dwingt je om het woord te lezen. Tussen die helften zit als het ware een muur waar de binnenkomende prikkel steeds overheen vliegt van links naar rechts. Je moet je dus gigantisch concentreren om 'geel' te zeggen, als je zwart leest, in gele letters. Dit soort concentratie wordt gevraagd van een AD(H)D'er in de schoolklas.

Hulpbronnen
Hoe kunnen we kinderen met AD(H)D helpen? Als ADHD groeit, zwaar wordt, van een tennisbal tot een skippybal, is het probleem niet meer te hanteren. Het moet teruggebracht worden tot formaat tennisbal, door hulpbronnen. Hoe groter de hulp, hoe kleiner en hanteerbaarder het probleem wordt. Heskes benadrukt dat er niet één algemene altijd werkende wonderoplossing is. "Als iets werkt, doe het dan, houd het vol."

Rust is zo'n hulpbron. Niet zeggen: "wees eens rustig", maar duidelijk zijn. En als ze erg druk zijn: laat ze gewoon buiten uitrazen, maak een boswandeling waar ze lekker kunnen schreeuwen. Haal de druk van de ketel. Plezier, nog zo'n hulpbron. De kinderen moeten horen dat we van ze houden. Laat ze spelen, geef ze een hobby of sport, wellicht kunnen ze plezier beleven op een zorgboerderij.
De creativiteit van een ADHD'er moeten we niet onderdrukken, laat ze maar knutselen met een doos vol oude verpakkingen e.d.
Belonen werkt heel goed, maar houd er rekening mee dat het bij deze kinderen langer duurt. Na een week is het goede gedrag echt nog niet ingesleten. Er kan wel geregeld een kleine beloning, een sticker of iets dergelijks, gegeven worden, maar voor de echte beloning hebben we meer tijd nodig.

Medicatie
Over medicatie was Heskes niet erg positief. Ze vindt dat er in het algemeen te snel medicijnen gegeven worden. Het ''etiket'' wordt soms te snel geplakt. "Je hebt ADHD als je er last van hebt", zei ze, anders niet. Luister naar je gevoel. Probeer medicijnen, vooral op school kan het handig zijn, maar als je twijfels hebt doe het dan niet. Pubers willen hun pilletje waarschijnlijk niet - tot ze tegen zichzelf aanlopen en ontdekken dat het misschien toch wel handig is zo'n ding te slikken.
Communicatie is heel belangrijk, maar: hoe zeg ik iets? Denk vanuit het kind. Geef het niet te veel keuze, zeg niet: ga je met je Lego of je playmobil spelen, of lezen of buiten spelen of knutselen? Laat ze uit twee dingen kiezen. Structuur is prettig, maar leg niet alles vast want dan dwing je jezelf in een schema, waar geen ruimte is voor onverwachte gebeurtenissen. Komt oma vandaag? Ze heeft het niet gezegd, dus ik denk het niet, maar misschien komt ze toch. Als je gewoon "nee" zegt, doet het kind wellicht de deur niet open als oma komt.
Duidelijkheid is wel gewenst. Zeg waarom ze de jas moeten ophangen, tas opruimen etc. en wees consequent. Nee is nee. Duizend maal nee en dan toch één keer ja, en je kunt opnieuw beginnen. Tenzij je heel duidelijk aangeeft dat dit ene 'ja' een uitzondering is. Gewenst gedrag versterken doe je door complimenten te geven. Als er die dag van alles fout ging, benoem dan toch 's avonds dat éne dat wel goed ging. "Ik ben blij dat je dit of dat deed." Leer het kind positief denken, en zeg dus niet': "kijk naar je zus, die doet het wel."

Pubers
Over pubers met ADHD sprak mevrouw Heskes bewust niet, omdat ze dan wel tien avonden kon vullen. Maar er waren wel vragen over natuurlijk. Pubers zetten zich af tegen alles wat houvast biedt en exploderen vrij snel. Een ADHD'er heeft die explosie tien maal zo heftig. Communiceren met de puber over de diagnose is moeilijk. Elke puber moet zelfacceptatie ontwikkelen, elke puber vindt dat moeilijk, een ADHD-puber ook.
De belangrijkste aanwijzing die ze gaf was: blijf in gesprek, laat de puber vertellen waarom hij iets wil of doet, en probeer het gesprek zo te sturen dat hij/zij de oplossing die u in gedachten hebt zelf aandraagt, zodat het zijn eigen oplossing is. Naast medicijngebruik zijn er meer therapieën, zoals oudertherapie (de puber gaat natúúrlijk niet in therapie), een praatgroep of individuele gesprekken met een therapeut.

Tekst: een organisatiecommissielid