U hebt een vraag

Klik hier
Print

Wajong

Op 1 januari 2010 is de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) in werking getreden, als opvolger van de Wajong (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten). De wet biedt jonggehandicapten en studenten die arbeidsongeschikt zijn een uitkering op minimumniveau. Het betreft de groep arbeidsongeschikten die zich niet kunnen beroepen op de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat ze geen arbeidsverleden hebben. Jonggehandicapten en studenten die al op jeugdige leeftijd arbeidsongeschikt zijn, hebben op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) recht op een uitkering op minimumniveau.

Mensen komen in aanmerking voor een Wajonguitkering als ze:

  • op hun 17de verjaardag voor tenminste 25 procent arbeidsongeschikt zijn of
  • jonger dan 30 zijn en voor minstens 25 procent arbeidsongeschikt wordt tijdens hun studie waardoor (volledig) werken na de studie onmogelijk is. Daarnaast moeten ze in het jaar voorafgaand aan hun arbeidsongeschiktheid minstens zes maanden hebben gestudeerd.

De uitkering gaat op z’n vroegst in vanaf het achttiende jaar en eindigt als men 65 jaar wordt. Jongeren die om medische of arbeidskundige redenen geen enkel perspectief hebben op een gewone baan, ook niet met ondersteuning, hebben recht op een Wajonguitkering (75 procent van het wettelijk minimumloon).
Voor jongeren die wel perspectief hebben (circa 70 procent van de huidige instroom), wordt gekeken wat zij kunnen (ontwikkelen) en hoe dit gerealiseerd kan worden. Voor deze groep geldt vanaf 1 januari 2010 de ‘Werkregeling jonggehandicapten’ binnen de Wet Wajong. Voor deze regeling geldt een leeftijdsgrens van 27 jaar. Op 27-jarige leeftijd vindt de definitieve beoordeling plaats over blijvende toepassing van de Wet Wajong.

De werkregeling binnen de Wet Wajong
De ‘Werkregeling jonggehandicapten’ die per 1 januari 2010 geldt, gaat ervan uit dat iedere jongehandicapte van 18 jaar en ouder inkomen heeft en dat (meer) werk moet lonen. Afhankelijk van de daadwerkelijke verdiensten, varieert de inkomensaanvulling. De inkomensondersteuning in de werkregeling kent twee fasen.

Eerste fase
De eerste fase begint na de voorlopige beoordeling van de jonggehandicapte, doorgaans vlak voor de 18de verjaardag, en eindigt op 27-jarige leeftijd als de definitieve beoordeling plaatsvindt. De jonggehandicapte die tenminste vijf jaar recht heeft gehad op arbeidsondersteuning, die vijf jaar inkomsten uit arbeid heeft genoten die overeenkomt met de resterende verdiencapaciteit en die geen perspectief meer heeft op verdere verbetering van de verdiencapaciteit, kan op dat moment, dus al voor het bereiken van de 27-jarige leeftijd, in aanmerking komen voor de definitieve beoordeling en doorstromen naar de tweede fase.
Als de jonggehandicapte (jonger dan 27 jaar) werkt en daarmee tot 20 procent van het wettelijk minimumloon verdient, vult de overheid zijn inkomen aan tot 75 procent van het wettelijk minimumloon. Verdient de jonggehandicapte meer dan 20 procent van het wettelijk minimumloon, dan mag hij de helft van iedere ‘extra’ verdiende euro houden, zodat zijn inkomen hoger is dan 75 procent van het minimumloon en (meer) werken ook loont. Met de overheidsaanvulling kan zijn totale inkomen oplopen tot 100 procent van het minimumloon. Het totaal van de inkomensondersteuning plus het inkomen uit arbeid mag niet meer dan 100 procent van het wettelijk minimumloon zijn.

Tweede fase
Bij de definitieve beoordeling van de jonggehandicapte, uiterlijk op 27-jarige leeftijd (de tweede fase) wordt vastgesteld wat hij ondanks zijn handicap, al dan niet met arbeidsondersteuning, nog kan verdienen (resterende verdiencapaciteit). Als de jonggehandicapte vanaf zijn 27ste zijn resterende verdiencapaciteit volledig benut, kan hij een inkomensondersteuning krijgen die zijn inkomen uit arbeid aanvult tot het wettelijk minimumloon.
Voor een jonggehandicapte van 27 jaar of ouder die zijn resterende verdiencapaciteit waarmaakt en werkt met begeleiding van een jobcoach én met loondispensatie, kan het loon uit arbeid worden aangevuld tot 120 procent van het wettelijk minimumloon.
Het recht op inkomensondersteuning vervalt als de jonggehandicapte zonder arbeidsondersteuning:

  • vijf jaar heeft gewerkt en daarna meer verdient dan 75 procent van het wettelijk minimumloon, of
  • gedurende één jaar meer dan 100 procent van het wettelijke minimumloon verdient.

Klik hier voor een factsheet over de Wajong.

Gerelateerde links